MARK CLOET

TRESTLES AND SCAFFOLDS – SUPPORTS AND POSITIONS

ALLEGORICAL MANIFEST

(FROM WORD TO DRAWING, FROM DRAWING TO PROPORTIONS OF SHAPE)

text advice by Lori Bravo

“It is like an image that creates itself, as a view of a painting where the perspective is not coming from the painter, but where the perspective is coming from the painting to the audience as was the painting talking to the painter. It is like a narrative who is creating its own body.” MC

“The painting is painting the way the painter has to follow.” P. Klee

“These bronze sculptures grope the empty space. Like boxes, these messengers fill the space. The difference between the support, the medium, the surface (skin) or content becomes smaller and smaller; transparency reigns, lightness rules over what could be the heaviest matter. Trestles and scaffolds complement the tension of direct matter, as if the social norms become translucent, transparent, evident and by consequence superfluous. Without judgment. “ MC

When we lift, simply observe or turn around these rectangular objects (in octavo, in quarto, in duodecimo, and so on ) we are not far from what we presume : we hold in our hands the de facto or possible urn. We cherish the recipient of our ashes, our dust. Books and sculpture are not too far apart in meaning. This is because whatever is being narrated ( or cast, if you will) in a book - be it a novel, a philosophical treatise, poetry, a biography or a thriller, even a sketchbook – after all it is one’s sole life. Good or bad, it is always finite. He, who claimed that philosophy is an exercise in dying was right in more than one way : from writing a book no one, nobody becomes younger.

Reading book rejuvenates either. There is a paradox in literature (as there is in nearly everything) : we should prefer “good books”, but this is not an autonomous category. “Good” is defined in opposite to what is “not good”. This could mean that one who intends to write a good book or to designate a book as “good”, should have read a lot of trash. Where else could he find his criteria? Perhaps this is the ultimate defense at the last Judgment for “bad literature”, which we herald in an attempt to create, read or see something.

What makes a book readable, stern enough to be good, immeasurable, full and at the same time empty of patterns? Perhaps there are metaphysical explanations or some stylistic idiom that serves as a guide. In reality we are looking for proportions. If we do not find them, we will create supports for our ideas that might be wrong. We must build these scaffolds for there to be stable form to our lame belief in matter. This is the matter of doubt, we are made of it, it is this matter that enables us to be.

“Good” writers have a predominantly constructive nature. This explains why initially most authors don’t develop as stylists, but as vindicators of a belief in writing. This also elucidates something about writers: their most developed member is not their hand, but their senses: the ear through which they hear, the eye through which they see. It is the author’s voiceless urge to write, the sonic indeterminacy that lifts their creation of rationality above the directness of emotion. There lies esthetical motion: in an attitude that consciously doesn’t use the convention of the art in order to emphasize oneself, but to the exact opposite. The act of writing serves the author as a camouflage and wraps them up in the background. Normally art is not on the backstage. Art is prepared behind the stage, but takes place in the foreground. Thanks to this esthetical (ethical) movement, art can interfere with life and test interior scaffolding in a more direct way where it is least expected. This way, art is no longer an attitude that enters into competition with reality, but becomes part of existence. Neligible, she is preciously present, participative. Matter that learned to speak, or matter that just unlearned to name itself, where astonishment cries out the untamable desire for silence. (“Things speak, art keeps silent.” F. Prinsen)

MARK CLOET

SCHRAGEN EN STELLINGEN

ALLEGORISCH MANIFEST

( VAN WOORD NAAR TEKENING, VAN TEKENING NAAR DE VERHOUDING VAN DE VORM )

Een installatie van tekeningen en bronzen.

PHOEBUS ROTTERDAM

OPENING 22 MEI

Tentoonstelling tot en met 19 Juni 2011

Wanneer we deze rechthoekige voorwerpen – in octavo, in quarto, in duodecimo, enzovoorts - opTILLEN, in ons opnemen, omdraaien, zitten we niet zo heel ver van wat we vermoeden, namelijk dat we in onze handen als het ware de feitelijke of eventuele urne, recipiënt van onze as, of ons stof liefkozen. Want wat er in een boek wordt gegoten – het moge een roman zijn, een wijsgerige verhandeling, een dichtbundel, een biografie of een thriller, zelfs een tekenboek – tenslotte is het iemands enige leven. Goed, dan wel slecht, maar altijd eindig. Degene die heeft gezegd dat filosoferen een oefening in het sterven is, had in meer dan één opzicht gelijk, want van het schrijven van een boek wordt niemand, ik herhaal, niemand jonger.

Van het lezen van boeken al evenmin. En terwijl onze natuurlijke voorkeur zou moeten uitgaan naar “goede boeken” is evenwel het paradox in de literatuur (zoals bijna overal) dat “goed” geen autonome categorie is, maar wordt gedefinieerd in tegenstelling met wat “niet goed” is. Dat zou kunnen betekenen dat iemand die een goed boek wil schrijven, of wil benoemen, nogal wat troep zou moeten gelezen hebben, want waar haalt hij anders zijn criteria vandaan? Misschien ligt hierin ook onmiddellijk het meest kansrijke verweer voor de “slechte literatuur” bij het Laatste Oordeel, het oordeel dat we inluiden als we een poging doen iets te maken, te lezen of iets proberen te zien.

Wat maakt boeken leesbaar, stroef genoeg om goed te zijn, onmeetbaar, patroonvol en patroonloos tegelijk? Mogelijks zijn er aardse en eerder metafysische verklaringen waarom er een soort van stilistisch idioom bestaat waarnaar wij ons kunnen richten. In werkelijkheid zoeken we naar verhoudingen, ondersteunen we ons denken waar het mis loopt en bouwen steigers waarlangs we ons mank geloof in de materie vaste vorm beloven. De materie waaraan we twijfelen en waaruit we zijn gemaakt, de materie die ons mogelijk maakt. “Goede” schrijvers hebben een overwegend constructieve natuur en dat verklaart waarom veel schrijvers zich niet op de eerste plaats als stilist ontwikkelen, maar wel als handhavers van een geloof in hun schrijven. En dat verklaart iets over schrijvers : het sterkst ontwikkeld is niet hun hand, maar wel hun oor, langs waar ze horen, het oog waarlangs ze zien. Het is de stemloze schrijfdrang van schrijvers, de klankmatige onbepaaldheid die het rationele van hun creatie heft boven hun emotionele directheid. Daar ligt hun esthetische beweging, in een houding die de conventies van de kunst niet bewust hanteert om zichzelf te benadrukken, te doen gelden, maar juist in het tegendeel. Ze gebruiken hun schrijven als een soort van camouflage om beter te kunnen opgaan in de achtergrond, en de coulissen zijn nu net de plek waar de kunst zich normaliter niet echt afspeelt. Kunst bereidt zich voor in de coulissen, het speelt zich af op de voorgrond. Door een dergelijke esthetische (ethische) beweging kan kunst beter en directer ingrijpen op die plaatsen waar ze het minst wordt verwacht. Op deze manier is kunst geen houding meer die met de werkelijkheid concurrentie aangaat, maar een deel van het bestaan. Verwaarloosbaar is ze dierbaar aanwezig, deelachtig. De materie die leerde spreken, of de materie die net afleerde zichzelf te noemen, daar waar de verwondering het ontembare verlangen van zwijgen uitschreeuwt. (cfr. De dingen zingen, de kunst zwijgt. Frank Prinsen)

In deze tentoonstelling is een reeks van honderden tekeningen te zien, die de kunstenaar als beeldhouwwerk beschouwt. Na zijn laatste tekeningen, weigerde hij nog verder tekeningen tentoon te stellen als enkele en individueel verhandelbare stukken. Een reeks van twaalf tekeningen dienen als patroon voor telkens dertig verschillende invullingen van dezelfde ruimte. De coördinaten waarbinnen de contouren van vormen zich ontwikkelen zijn steeds dezelfde, alleen de inhouden veranderen. Deze installatie kadert in een reeks van “Allegorieën” die de kunstenaar in zijn plastisch oeuvre brengt. Op een glasblad en schragen worden de tekeningen als stapel tentoongesteld

Ondertussen tasten rondom bronzen beeldhouwwerken de lege ruimte af. Als dozen, boodschappers vullen zij de ruimte. Het verschil tussen wat drager is, wat medium, wat er oppervlak, huid of inhoud wordt steeds kleiner, alsof er transparantie heerst, lichtheid, zelfs over wat dan ook misschien wel de zwaarste materie zou kunnen zijn. Stellingen en schragen tegenover de spanning van directe materie, alsof de maatschappelijke normen doorschijnend zouden kunnen zijn, vanzelfsprekend en bijgevolg onnodig. Oordeelloos.

Mark Cloet (Oostende – B, 1964 ) werkt zijn studie Monumentale Kunsten in het KASK Gent af in 1989. Na zijn meestergraad die hij behaalt onder de begeleiding van Claude Vialat in Ecole de Nîmes en Richard Bacquet in l’Academie de Marseille krijgt hij een eredoctoraat aan de Universita degli Studi Semantologia di Padova die de P.P.Pasolini onderscheiding onderlijnt “omwille van zijn artistieke, sociale en politieke autonomie, zijn semiotiek-studie van de beeldende kunsten en zijn toepassingen daarvan in sociale en artistieke gedrevenheid”. In 2010 kreeg Cloet een Fulbight Sir Award, en zal daardoor vanaf augustus 2011 voor een jaar in het UTPA Edinbug Texas werken als kunstenaar, semantoloog en filosoof. Onder de slagzin “The way of a language to be read, the words we gather on this way, could bring us to image or form ...” zal hij aldaar verschillende tentoonstellingen en lezingen geven, maar vooral deze plaats samen met zijn bewoners bekijken, aftasten, proberen te duiden.

Cloet blijft op de eerste plaats een kunstenaar die in stilte maar gestadig werkt aan een oeuvre dat in dienst staat van wat men zou kunnen noemen de beschouwende kunsten. Dat maakt van de persoon een eerder uitzonderlijk type want terwijl zijn werk redelijk hermetisch is, beweegt hij zich evengoed op het professionele kunstplatform als kunstbeschouwer, neemt hij sociale initiatieven en geeft hij zich zelf een plaats in het discours van wat er binnen de distopia van onze tijd nog vorm kan krijgen via de kunsten. Mark Cloet werkt dus als beeldend kunstenaar, runt een bescheiden internationaal centrum voor beeldende kunstenaars en schrijft. Ongeacht wat of hoe hij het doet, zijn werk bespeelt steeds de onderhuidse spanningen dat het beeld veroorzaakt als het zich doet ontstaan. Vooral bronzen beeldhouwwerken die altijd iets onvoltooids in zich dragen, getekend, met sporen van hun maakproces, blijven als raadselachtige dragers van hun eigen vorm en materie achter in een ruimte die onvoorwaardelijk verhoudingen in vraag stelt, zich verzet tegen esthetische vanzelfsprekendheden en daardoor telkens weer de ethiek in vraag stelt. Cloet noemt het beeld de samenvatting, niet van zijn maker, maar van het beeld zelf : zijn materie, zijn aanwezigheid, wat het omringt en de onooglijke relativiteit van zijn verhoudingen ten opzichte van het universum. Bronzen als kleine (soms dan weer in verhouding monumentale), nieuwe en onwaarschijnlijk bescheiden historische werkelijkheden dragen een krachtig en op zichzelf aangewezen potentieel, vooral omwille van hun relativiteit, hun ongeschondenheid en hun oneindige herinterpreteerbaarheid alsof ze de illusie van het rechtschapene en kwetsbare in hun vorm incorporeren.

JOHAN GEENENS – MARK CLOET

ZES KAARTEN

MAD – MUS ÉE – LUIK

Opening op vrijdag 04.03.2011 om 18.30 u- Tentoonstelling tot 25.06.2011

1

“DE ANALYSE VAN EEN KUNSTWERK, KAART 1 TOT EN MET 8”

Op de schemakaarten van Malewich wordt de inhoud van het eerste deel van de kaarten als volgt getypeerd : “Analyse van een kunstwerk. Het gedrag van de kunstenaar is geopenbaard in de verschillende formaties van vorm en kleur. Door een analyse van kleur en vorm in een kunstwerk kunnen wij de vorm van gedrag van de kunstenaar achterhalen in de verschillende sferen van geestelijke beleving.”

Aan de basis van ieder vernieuwend schilderij ligt volgens Malewich de ongeconditioneerde, zuiver artisiteke perceptie van de kunstenaar. Wie de wereld ervaart door de ogen van een schilder geeft een volstrekt eigen zin aan de realiteit. Alles wat de schilder waarneemt krijgt, afhankelijk van zijn “weltanschauung”, een bepaalde samenhang en structuur. De perceptie uit zich in een “schilderkundig gedrag” en dit ligt volgens Malewich onvermijdelijk ten grondslag aan al zijn schilderijen. Zij komt tot uiting in de vormen en lijnen op het doek, de structuur en de opbouw, en de kleuren waar de kunstenaar voor kiest.

Met dit gedeelte van de kaarten heeft Malewich het publiek willen laten zien dat de schilderkunst een eigen inhoud en een eigen ontwikkeling kent. Met de ontdekking van het “additionele” of “toegevoegde element” dacht Malewich een verklaring te hebben gevonden voor de onophoudelijke veranderingen binnen de schilderkunst. De wereld en de perceptie ervan zijn veranderlijk, anders dus voor verschillende soorten kunstenaars. De kunstenaar is door zijn ongeconditioneerde visie in staat dit proces te grijpen.

Uit : “Over kunst, kunstanalyse en kunstonderwijs : de theoretische kaarten van Kazimir Malevich” Linda S. Boersma

2

In het werk “zes kaarten” aangekocht door en tentoongesteld in het Mad-musée in Luik, zie je naast het originele werk van Johan Geenens één druk op origineel formaat ( 21 cm X 21 cm) 100 % en daarnaast vijf afdrukken en uitvergrotingen van hetzelfde werk. Tot 3000 keer wordt het werk van de kunstenaar Johan Geenens uitvergroot, telkens op een blad hähnemuller papier van 1.65 X 1.65 m.

De uitvergrotingen zijn het werk van de kunstenaar Mark Cloet. In een soort van anonimiteit aanschouwt, analyseert en geeft hij het werk van één zijns favoriete artiesten een nieuw beeldvermogen. Het lijkt alsof het werk van Cloet zichzelf hier verloochend, want het stelt zich volledig ter beschikking van het andere werk. Door met en langs de ogen van de kunstenaar te kijken ontstaat er een nieuw beeld, alsof er een hergeboorte heeft plaatsgevonden. De droogdrukken (reproducties) stellen de vraag in hoeverre de werkelijkheid van het door ons aanschouwde originele nog gelijkenis heeft met het nieuwe werk. Tegelijkertijd wijzen de nieuwe werken op een werkelijkheid die door de kijker niet op de zelfde manier is waargenomen, misschien zelfs werd verloochend doch heel vakkundig en correct behandeld werd. Elke mens is in staat zijn beeldvermogen tot 3000 keer uit te vergroten. In hoeverre ondernemen we zoiets? In hoeverre ziet de kunstenaar de werkelijkheid op een andere manier? In hoeverre draagt het werk van Geenens op deze manier een taalvermogen die gangbare vermogens overstijgt? Dat zijn vragen die steeds centraal staan in het werk van Cloet.

De drukken krijgen een bijna utopische bestaansreden : ze worden dragers van een vorige werkelijkheid, verduidelijken die werkelijkheid en tegelijkertijd dragen ze een bepaalde transparantie. Zo dragen ze een teder gevoel in zich, een zucht van verwondering. Ze uiten een verlangen naar rust : alsof het mogelijk zou zijn dat beelden, vergelijkingen, sociale conventies, verantwoordingen transparant zouden kunn